Leren is nooit gedaan
door Sijmen van Wijk
Ze pleit voor een speciale leerstoel ‘Digitale didactiek, vindt dat toetsing
en validering hoger op de agenda moet komen en ziet niets in
wetgeving als hefboom voor onderwijsvernieuwing ‘want anders
gaat iedereen z’n hakken in het zand zetten en dat heeft weinig
zin’. OnderwijsInnovatie sprak met Trude Maas; senator,
ict-deskundige werkzaam bij de HayGroup en lid van talrijke
commissies. Deze zomer bracht een commissie onder haar leiding het
manifest ‘Navigeren op de informatieoceaan’ uit over de
vraag hoe een leven lang leren in ons land invulling moet krijgen.
Minder lang houdbaar
Maas ziet de invloed van ict terug in de omslag van het denken over leren. ‘Allereerst is de ict in een aantal maatschappelijke ontwikkelingen een absolute drijfveer’, zegt ze. ‘Ict heeft het proces van het kennisintensiviteit van onze maatschappij versneld. Kennis is minder lang houdbaar. Ten tweede biedt de ict oplossingen nu de vraag naar een leven lang leren steeds manifester wordt. De invloed van ict op de didactiek neemt ook toe, vandaar dat ik pleit voor de oprichting van een leerstoel digitale didactiek.’
Maas vindt dat in alle discussies over ict in het onderwijs die over de kosten en baten niet
mag ontbreken. ‘Het is goed als er een discussie gevoerd wordt
over de kosten en baten, want ict moet geen hobbyisme van techneuten
worden. Probleem daarbij is dat we bij veel zaken niet van tevoren
weten wat de opbrengsten en kosten precies zijn. Dat geldt zeker voor
nieuwe technologieën, die vaak een aantal jaren moeten draaien
voordat de betekenis ervan helder is. Doordat de technologische
ontwikkelingen zo snel gaan, is het ondoenlijk om alle mogelijkheden
direct te overzien. Overigens vind ik dat als de aannames kloppen van
een nieuwe ontwikkeling, je ook moet durven experimenteren. Je moet
het lef hebben om te zeggen morgen levert het ons nog niets op, maar
uiteindelijk zal het ons méér kosten als we niets doen.
Uiteindelijk wordt er meer vernieuwing gepleegd door mensen met visie
en lef dan door boekhouders.’
Niet klakkeloos saneren
Ook over het samenvloeien van initieel en postinitieel onderwijs heeft Maas een
duidelijke mening. ‘Wanneer je als uitgangspunt neemt dat
mensen overal leren dan ligt het niet voor de hand om postinitiële
opleidingen te kanaliseren. Ik ben er voorstander van om nuchter naar
dit soort opleidingen te kijken, maar het betekent niet een
klakkeloos saneren van de markt van het groeiend aantal postinitiële
opleidingen. Zeker niet langs de aanbodkant. We moeten echter wel
goed gaan nadenken over de resultaten van hetgeen geleerd wordt. Ik
zeg daarom dat het tijd wordt om methodes te bedenken die zorgen voor
een heldere certificering en een goede validering van competenties.
Zeker als die elders verworven zijn. Het onderwijs heeft te lang
gedacht een monopolie te hebben op het verwerven van competenties.
Gelukkig is dit idee doorbroken. Maar daarmee ben je nog er niet. Ik
vind dat tentaminering en examinering veel hoger op de agenda moeten
komen te staan in het hoger onderwijs. Daarmee zwengel je de
discussie aan over het puntensysteem. Dat systeem heeft alles te
maken met doorlooptijden en met leerstijlen. Als we streven naar meer
individuele leertrajecten die niet noodzakelijkerwijs binnen één
onderwijsinstelling hoeven plaats te vinden, dan ontkom je niet aan
afspraken hoe je die trajecten valideert. Het hybridiseren van
opleidingstrajecten maakt een afgewogen standpunt nodig. Er rust een
soort taboe op examinering in ons land. Ik heb daar in mijn Cito-tijd
mee te maken gehad. Die organisatie heeft een vrij elegant systeem
ontwikkeld van centraal en decentraal toetsen. Misschien is die
gedachte ook bruikbaar voor het hoger onderwijs. Maar toetsing zonder
meer overlaten aan docenten die hun studenten nauwelijks zien, is
niet verstandig. In dit geheel is de rol van de overheid wezenlijk.
Het is niet alleen haar taak de kwaliteit van het aanbod te
waarborgen, het gaat er uiteindelijk om dat mensen na hun opleiding
goed gewapend met hun kennis aan de slag gaan. Je kunt de validering
daarvan niet meer overlaten aan het hoger onderwijs. Het paradoxale
is echter dat de instellingen tot op zekere hoogte hun kracht
ontlenen aan het monopolie op de diploma’s.’
Klaar met leren
Met name de initiële beroepsopleidingen zouden nog eens goed
moeten nadenken of ze mensen met de goede competenties afleveren. Maas
is ervan overtuigd dat veel opleidingen mensen afleveren die na hun
diploma ‘klaar’ met leren zijn. Maas: ‘Mensen moeten hun opleiding verlaten met
enig gevoel hoe ze zelf leren en waar zij het ‘voer’ voor
hun leerbehoeftes kunnen halen. Je moet in die wereld goed de weg
weten als je afstudeert. Ik zou me kunnen voorstellen dat een
instelling als de Open Universiteit in het proces van het valideren
van cursussen een belangrijke rol gaat spelen. En of de cursus dan
bij de Open Universiteit gevolgd is of elders, doet in dit verband
weinig ter zake.’
Het net ingevoerde
bamastelsel dwingt wat dat betreft een herordening af van de
studiefases vindt Maas, waarbij ze ervoor waarschuwt om niet weer
terug te vallen in een doctoraal en een kandidaatsfase. Het
bamastelsel biedt studenten het perspectief niet langer opgesloten te
zijn in het ‘dorp’ Nederland. Maas: ‘Ik heb zelf
deze wet in de Eerste Kamer behandeld. Helaas is de discussie toen
alleen over de topmasters gegaan en is het extern evalueren van
kennis eigenlijk helemaal niet aan de orde geweest. Wat ik er graag
aan wil toevoegen is het volgende: idealiter zou dit type wetgeving
pas aan de orde moeten komen nadat er in het veld over gediscussieerd
is, nadat de gedachtestroom erover bij de mensen ‘aan het
landen’ is. Ik zie onderwijswetgeving niet als een hefboom voor
onderwijsvernieuwing. Je moet vernieuwingen met wetgeving gaan
vastleggen als ze van onderop al zover ontwikkeld zijn dat het tijd
wordt om er regels om heen te zetten. Bottom up
dus. In deze maatschappij met z’n slimme mensen kan het
ook niet anders meer. Want anders gaat iedereen z’n hakken in
het zand zetten. Dat heeft weinig zin.’
Individualisering van
leerstijlen is niet zozeer een trend als wel een gegeven. Daarvan is
Maas overtuigd. Dus moet er wat haar betreft goed nagedacht worden
over het volgen van hoger onderwijs, het krijgen van studiepunten en
de validering van competenties binnen en buiten het onderwijs. Ze
wijst op het gegeven dat universiteiten en hogescholen steeds meer
richting bedrijfsleven schuiven en heeft daar op zich geen moeite
mee. ‘Ik denk dat een aantal vakken te ver weg van de
beroepspraktijk is komen te staan’, zegt ze. ‘Het is dan
ook volgens mij een goede zaak om meer interactie te bewerkstelligen
tussen het hoger onderwijs en het bedrijfsleven, zeker in het licht
van een leven lang leren. Nu is de scheiding tussen hoger onderwijs
en maatschappij zo groot dat veel mensen in bedrijven en
arbeidsorganisaties helemaal niet meer weten hoe universiteiten in
elkaar zitten. Zij denken nog steeds dat het onderwijs georganiseerd
is zoals in de tijd toen zij studeerden. Het is één van
de majeure problemen van het hoger onderwijs. Wat je eraan zou kunnen
doen? Dichter tegen elkaar aan gaan zitten. Meer samenwerken, beter
communiceren, alumni vragen hun ervaringen terug te koppelen en
docenten in het bedrijfsleven laten bijscholen. Want ook voor hen
geldt: een leven lang leren’.
Minder groot ego
Maas denkt niet dat deze kruisbestuiving slecht is voor de kwaliteit van het onderwijs. ‘Veel van onze afgestudeerden kunnen internationaal goed
meekomen. Op een aantal gebieden scoren we als land goed, hoewel dat
niet alleen heeft te maken met de kwaliteit van het hoger onderwijs.
Mensen uit kleine landen maken over het algemeen gemakkelijker
carrière bij multinationals. Eenvoudig omdat ze een minder
groot nationaal ego hebben. Maar ik vind het moeilijk om de kwaliteit
van ons onderwijs in internationaal perspectief te boordelen. Ik denk
wel dat wanneer je als land kanjers wilt afleveren, je een behoorlijk
aantal studenten in ieder vak moet hebben. Het feit dat we af en toe
een Nobelprijswinnaar afleveren heeft niet alleen te maken met enkele
briljante geesten, maar ook met het aantal studenten. Als de
‘moeilijke opleidingen’ te dun bevolkt raken, dan houdt
het gewoon op. Overigens kampt de gehele westerse wereld volgens mij
met een terugloop bij die moeilijke, harde vakken. Het zou jammer
zijn wanneer accreditatieorganen op basis van het aantal
belangstellenden opleidingen gaan honoreren. Wat wel moet gebeuren is
concentratie van opleidingen. Daarnaast dient de overheid een betere
aansturing te geven in plaats van instellingen te laten concurreren.’
Het manifest ‘Navigeren op de informatieoceaan’ is in juli
2002 verschenen bij Internet Society Nederland. Exemplaren van dit
manifest zijn te bestellen bij: Elly Rietveld van de HayGroup in
Zeist, telefoon: 030 – 6929279.
>> (Terug naar) overzicht publicaties
|