" Een geest is een vuur dat gevoed moet worden, niet een vat dat gevuld moet worden. "
(Priester van het orakel van Delphi Plutarchus, 45-125 voor Christus)

Trude Maas-De Brouwer
Trude.nl
 ToezichtTalent Onderwijs Eerste KamerOndernemen ICTAan het woord |

Visie | Concreet | Publicaties | Aan het woord

Leren is nooit gedaan

door Sijmen van Wijk

Ze pleit voor een speciale leerstoel ‘Digitale didactiek, vindt dat toetsing en validering hoger op de agenda moet komen en ziet niets in wetgeving als hefboom voor onderwijsvernieuwing ‘want anders gaat iedereen z’n hakken in het zand zetten en dat heeft weinig zin’. OnderwijsInnovatie sprak met Trude Maas; senator, ict-deskundige werkzaam bij de HayGroup en lid van talrijke commissies. Deze zomer bracht een commissie onder haar leiding het manifest ‘Navigeren op de informatieoceaan’ uit over de vraag hoe een leven lang leren in ons land invulling moet krijgen.

Minder lang houdbaar

Maas ziet de invloed van ict terug in de omslag van het denken over leren. ‘Allereerst is de ict in een aantal maatschappelijke ontwikkelingen een absolute drijfveer’, zegt ze. ‘Ict heeft het proces van het kennisintensiviteit van onze maatschappij versneld. Kennis is minder lang houdbaar. Ten tweede biedt de ict oplossingen nu de vraag naar een leven lang leren steeds manifester wordt. De invloed van ict op de didactiek neemt ook toe, vandaar dat ik pleit voor de oprichting van een leerstoel digitale didactiek.’

Maas vindt dat in alle discussies over ict in het onderwijs die over de kosten en baten niet mag ontbreken. ‘Het is goed als er een discussie gevoerd wordt over de kosten en baten, want ict moet geen hobbyisme van techneuten worden. Probleem daarbij is dat we bij veel zaken niet van tevoren weten wat de opbrengsten en kosten precies zijn. Dat geldt zeker voor nieuwe technologieën, die vaak een aantal jaren moeten draaien voordat de betekenis ervan helder is. Doordat de technologische ontwikkelingen zo snel gaan, is het ondoenlijk om alle mogelijkheden direct te overzien. Overigens vind ik dat als de aannames kloppen van een nieuwe ontwikkeling, je ook moet durven experimenteren. Je moet het lef hebben om te zeggen morgen levert het ons nog niets op, maar uiteindelijk zal het ons méér kosten als we niets doen. Uiteindelijk wordt er meer vernieuwing gepleegd door mensen met visie en lef dan door boekhouders.’

Niet klakkeloos saneren

Ook over het samenvloeien van initieel en postinitieel onderwijs heeft Maas een duidelijke mening. ‘Wanneer je als uitgangspunt neemt dat mensen overal leren dan ligt het niet voor de hand om postinitiële opleidingen te kanaliseren. Ik ben er voorstander van om nuchter naar dit soort opleidingen te kijken, maar het betekent niet een klakkeloos saneren van de markt van het groeiend aantal postinitiële opleidingen. Zeker niet langs de aanbodkant. We moeten echter wel goed gaan nadenken over de resultaten van hetgeen geleerd wordt. Ik zeg daarom dat het tijd wordt om methodes te bedenken die zorgen voor een heldere certificering en een goede validering van competenties. Zeker als die elders verworven zijn. Het onderwijs heeft te lang gedacht een monopolie te hebben op het verwerven van competenties. Gelukkig is dit idee doorbroken. Maar daarmee ben je nog er niet. Ik vind dat tentaminering en examinering veel hoger op de agenda moeten komen te staan in het hoger onderwijs. Daarmee zwengel je de discussie aan over het puntensysteem. Dat systeem heeft alles te maken met doorlooptijden en met leerstijlen. Als we streven naar meer individuele leertrajecten die niet noodzakelijkerwijs binnen één onderwijsinstelling hoeven plaats te vinden, dan ontkom je niet aan afspraken hoe je die trajecten valideert. Het hybridiseren van opleidingstrajecten maakt een afgewogen standpunt nodig. Er rust een soort taboe op examinering in ons land. Ik heb daar in mijn Cito-tijd mee te maken gehad. Die organisatie heeft een vrij elegant systeem ontwikkeld van centraal en decentraal toetsen. Misschien is die gedachte ook bruikbaar voor het hoger onderwijs. Maar toetsing zonder meer overlaten aan docenten die hun studenten nauwelijks zien, is niet verstandig. In dit geheel is de rol van de overheid wezenlijk. Het is niet alleen haar taak de kwaliteit van het aanbod te waarborgen, het gaat er uiteindelijk om dat mensen na hun opleiding goed gewapend met hun kennis aan de slag gaan. Je kunt de validering daarvan niet meer overlaten aan het hoger onderwijs. Het paradoxale is echter dat de instellingen tot op zekere hoogte hun kracht ontlenen aan het monopolie op de diploma’s.’

Klaar met leren

Met name de initiële beroepsopleidingen zouden nog eens goed moeten nadenken of ze mensen met de goede competenties afleveren. Maas is ervan overtuigd dat veel opleidingen mensen afleveren die na hun diploma ‘klaar’ met leren zijn. Maas: ‘Mensen moeten hun opleiding verlaten met enig gevoel hoe ze zelf leren en waar zij het ‘voer’ voor hun leerbehoeftes kunnen halen. Je moet in die wereld goed de weg weten als je afstudeert. Ik zou me kunnen voorstellen dat een instelling als de Open Universiteit in het proces van het valideren van cursussen een belangrijke rol gaat spelen. En of de cursus dan bij de Open Universiteit gevolgd is of elders, doet in dit verband weinig ter zake.’

Het net ingevoerde bamastelsel dwingt wat dat betreft een herordening af van de studiefases vindt Maas, waarbij ze ervoor waarschuwt om niet weer terug te vallen in een doctoraal en een kandidaatsfase. Het bamastelsel biedt studenten het perspectief niet langer opgesloten te zijn in het ‘dorp’ Nederland. Maas: ‘Ik heb zelf deze wet in de Eerste Kamer behandeld. Helaas is de discussie toen alleen over de topmasters gegaan en is het extern evalueren van kennis eigenlijk helemaal niet aan de orde geweest. Wat ik er graag aan wil toevoegen is het volgende: idealiter zou dit type wetgeving pas aan de orde moeten komen nadat er in het veld over gediscussieerd is, nadat de gedachtestroom erover bij de mensen ‘aan het landen’ is. Ik zie onderwijswetgeving niet als een hefboom voor onderwijsvernieuwing. Je moet vernieuwingen met wetgeving gaan vastleggen als ze van onderop al zover ontwikkeld zijn dat het tijd wordt om er regels om heen te zetten. Bottom up dus. In deze maatschappij met z’n slimme mensen kan het ook niet anders meer. Want anders gaat iedereen z’n hakken in het zand zetten. Dat heeft weinig zin.’

Individualisering van leerstijlen is niet zozeer een trend als wel een gegeven. Daarvan is Maas overtuigd. Dus moet er wat haar betreft goed nagedacht worden over het volgen van hoger onderwijs, het krijgen van studiepunten en de validering van competenties binnen en buiten het onderwijs. Ze wijst op het gegeven dat universiteiten en hogescholen steeds meer richting bedrijfsleven schuiven en heeft daar op zich geen moeite mee. ‘Ik denk dat een aantal vakken te ver weg van de beroepspraktijk is komen te staan’, zegt ze. ‘Het is dan ook volgens mij een goede zaak om meer interactie te bewerkstelligen tussen het hoger onderwijs en het bedrijfsleven, zeker in het licht van een leven lang leren. Nu is de scheiding tussen hoger onderwijs en maatschappij zo groot dat veel mensen in bedrijven en arbeidsorganisaties helemaal niet meer weten hoe universiteiten in elkaar zitten. Zij denken nog steeds dat het onderwijs georganiseerd is zoals in de tijd toen zij studeerden. Het is één van de majeure problemen van het hoger onderwijs. Wat je eraan zou kunnen doen? Dichter tegen elkaar aan gaan zitten. Meer samenwerken, beter communiceren, alumni vragen hun ervaringen terug te koppelen en docenten in het bedrijfsleven laten bijscholen. Want ook voor hen geldt: een leven lang leren’.

Minder groot ego

Maas denkt niet dat deze kruisbestuiving slecht is voor de kwaliteit van het onderwijs. ‘Veel van onze afgestudeerden kunnen internationaal goed meekomen. Op een aantal gebieden scoren we als land goed, hoewel dat niet alleen heeft te maken met de kwaliteit van het hoger onderwijs. Mensen uit kleine landen maken over het algemeen gemakkelijker carrière bij multinationals. Eenvoudig omdat ze een minder groot nationaal ego hebben. Maar ik vind het moeilijk om de kwaliteit van ons onderwijs in internationaal perspectief te boordelen. Ik denk wel dat wanneer je als land kanjers wilt afleveren, je een behoorlijk aantal studenten in ieder vak moet hebben. Het feit dat we af en toe een Nobelprijswinnaar afleveren heeft niet alleen te maken met enkele briljante geesten, maar ook met het aantal studenten. Als de ‘moeilijke opleidingen’ te dun bevolkt raken, dan houdt het gewoon op. Overigens kampt de gehele westerse wereld volgens mij met een terugloop bij die moeilijke, harde vakken. Het zou jammer zijn wanneer accreditatieorganen op basis van het aantal belangstellenden opleidingen gaan honoreren. Wat wel moet gebeuren is concentratie van opleidingen. Daarnaast dient de overheid een betere aansturing te geven in plaats van instellingen te laten concurreren.’

Het manifest ‘Navigeren op de informatieoceaan’ is in juli 2002 verschenen bij Internet Society Nederland. Exemplaren van dit manifest zijn te bestellen bij: Elly Rietveld van de HayGroup in Zeist, telefoon: 030 – 6929279.

 

 

>> (Terug naar) overzicht publicaties