" Wij leren niet voor school, maar voor het leven. (Non scolae, sed vitae discimus). "
(Filosoof en toneelschrijver Lucius Annaeus Seneca 5 v.C. - 65, in zijn Epistolae)

Trude Maas-De Brouwer
Trude.nl

 

 ToezichtTalent Onderwijs Eerste KamerOndernemen ICTAan het woord |

Visie | Concreet | Publicaties | Aan het woord

Mea Culpa Universiteiten, 3 mei 2003, Elsevier

Door zorg om economie dringt door dat zwakke punt van Nederland, het kennisbeleid, moet worden aangepakt. Geld alleen is niet genoeg.

In het regeerakkoord van het kabinet Balkenende-I was het nog tevergeefs zoeken naar woorden ‘kenniseconomie’ en ‘innovatie’. In het nieuwe akkoord zal die omissie worden rechtgezet. Met of zonder regeringsdeelname van D66, de partij die de opwaardering van de Nederlandse economie tot geloofsartikel heeft gemaakt.

De discussie over de kenniseconomie is niet nieuw. Het begrip dook voor het eerst op aan het begin van de ICT-hausse, eind jaren tachtig. Maar nu zoemt het woord rond als nooit tevoren. Er dreigt een nieuwe ‘Hollandse ziekte’: kennisachterstand. Europa blijft achter bij Amerika en Japan wat betreft investeringen in onderzoek en in kansrijke technologieën, en binnen dat suffe Europa is Nederland een bescheiden middenmoter. Dat moet veranderen. Nederland wil in 2010 tot de top-5 Europese kenniseconomieën behoren. De cijfers tonen aan dat er nog veel te doen is. De uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) bedragen in Nederland 2 procent van het Bruto Binnenlands Product. Minder dan in Japan (3 procent) en de verenigde Staten (2,9). In Europa spannen de Scandinavische tijgers Zweden (3,8) en Finland (3,4) de kroon. De Finnen gaan aan kop wat betreft het aantal mensen dat werkzaam is in R&D: vijftien op de duizend werknemers. Drie keer zoveel als in Nederland. Pleitbezorgers van de kenniseconomie stellen dan ook graag het Finse model ten voorbeeld.

Nog belangrijker dan de investeringen in wetenschap en technologie is wat ermee gedaan wordt. Juist dat is een zwak punt in Nederland.. Er is veel hoogwaardig onderzoek maar het bedrijfsleven profiteert daar relatief weinig van. Er gaapt een kloof tussen de wetenschap en de markt. Slechts een op twintig bedrijven maakt rechtstreeks gebruik van wetenschappelijke kennis. Wat te doen om Nederland om te vormen tot een kenniseconomie? Allereerst is er de voorspelbare roep om meer geld. Na twintig jaar van bezuinigingen op het hoger onderwijs hebben de universiteiten er genoeg van telkens weer met meer geld en minder middelen te worden opgezadeld. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de subsidieverstrekker voor toponderzoek, wil 100 miljoen euro per jaar erbij. Het ministerie van Economische Zaken zegt 100 toto 200 miljoen euro per jaar nodig te hebben oom structurele samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven te bevorderen en niet zoals nu alleen per project.

Maar het is een vergissing om te denken dat je een kenniseconomie simpelweg kunt kopen. Meer geld is niet et belangrijkste, Trude Maas-de Brouwer, PvdA-senaatslid en president van de HayVision Society, een denktank op het gebied van menselijk kapitaal. Er is een oerwoud van stichtingen en instellingen op het gebied van kennisoverdracht. Ik zou eens kritisch willen kijken naar die structuur, voordat we er miljoenen inpompen. In Nederland bestaat de neiging om te veel tegelijk te willen doen. Kennisinstellingen moeten zich specialiseren, zoals de drie technische universiteiten al doen. De Kennisinfrastructuur is nog te veel een verzameling doodlopende weggetjes, terwijl het een netwerk van snelwegen zou moeten zijn. Maas, commissaris bij onder meer Philips, Schiphol, ABN Amro, vindt dat er nog veel te verbeteren valt aan de samenwerking tussen bedrijven en onderwijsinstellingen: “Bedrijven en universiteiten zouden meer bij elkaar kunnen scouten. Stages zijn het beste middel om beide partijen met elkaar in aanraking te brengen, maar toch blijven de contacten vaak beperkt. Waarom voeren we niet een werk/leerstelsel in het hoger onderwijs in, zodat studenten andere dan academische vaardigheden op kunnen doen? Want kennis veraderen is niet de enige bottleneck, de vraag is hoe je die kennis benut. Studenten mogen zelf ook best wat kritischer worden. Laat studies maar a la carte worden, in plaats van standaardpakketten die het nu zijn. In het rijtje kansrijke sectoren waarop het kennisbeleid zich zou moeten richten, staan namen als nanotechnologie (zie “De dwergkunde op pagina 93), genomics en life sciences. “Laten we ervoor oppassen niet achter de laatste mode aan te lopen’, zegt Trude maas. ‘ ik heb het vermoeden dat sommigen op dit moment over nanotechnologie praten omdat het leuk klinkt, zonder te weten wat het precies inhoudt. Er is een aantal sterke clusters in de economie die zich hebben bewezen en die we kunnen versterken. Denk aan de chemie, de weg- en waterbouw en de agribusiness. Maar ook aan het juridische cluster in Den Haag. Het risico is levensgroot dat de goede bedoelingen verzanden in eindeloos gepolder. “Laten we niet overloos discussiëren, en alsjeblieft niet nog meer instellingen erbij verzinnen, was de stemming tijdens het jaarcongres op 16 april van de VSNU, de vereniging van universiteiten.

De Universiteiten steken de hand in eigen boezem. Ze zijn te ver doorgeschoten in generalisme en hebben hun specialismen verwaarloosd geven ze toe. Zo hebben de technische universiteiten in de afgelopen jaren een bulk aan bedrijfskundigen afgeleverd, want die discipline is minder moeilijk dan techniek en biedt goede kansen op de arbeidsmarkt. Het gevolg is dat een hele lichting ingenieurs weinig tot niets weet van techniek.

De universiteiten eisen meer vrijheid om onderzoekselites te creëren. Nu wordt het ze zelfs onmogelijk om zelf tarieven vast te stellen voor onderzoeksopdrachten en onderwijs, omdat ze dan het verwijt krijgen winst te maken met publiek geld. Privatisering zou het eenvoudiger maken om wetenschappelijke kennis te vermarkten aan het bedrijfsleven., zo vinden onder meer de bestuursvoorzitters van de Universiteit van Amsterdam en de Technische Universiteit Twente.

Iedereen heeft zin in de kenniseconomie, zoveel is duidelijk. Het gevoel van urgentie heeft te maken met de zorg over groeiende zorgen over de economische structuur. Nederland neemt deel aan de verkeerde race: die om goedkope producten, geproduceerd tegen lage lonen. Korte termijn management, gericht op snelle successen is momenteel in de mode. Dat verhoudt zich maar moeizaam met het voeren van een kennisstrategie. Voordat Nederland het predikaat ‘kenniseconomie’ verdient, moet er dus nog veel veranderen. Meer nog dan geld of structuren, is er een cultuurverandering nodig. De kenniseconomie moet tussen de oren zitten, Aan de nieuwe regering de taak om aan dat proces leiding te geven.

Martin de Jong

 

 

>> (Terug naar) overzicht publicaties